HET ONSTAAN VAN HET HUIS LEONARD

hist

Op 10 mei 1940 deed mijn 63-jarige grootvader Antoine Léonard het nodige om het beroep vanslager/beenhouwer over te dragen aan mijn vader. Mijn vader, Armand Léonard, die nog niet de vereiste leeftijd had, moest 6 maanden wachten op een gunstig advies van het justitiepaleis te Leuven. Uiteindelijk verkrijgt hij zijn vergunning in volle oorlogsjaren. Zonder rantsoenbonnen die nodig waren om vlees te kopen kon hij echter zijn beroep niet uitoefenen. De betekening van mijn vader zijn beroep bij de griffier in Leuven liet dus op zich wachten tot 23 januari 1945.

Het huis Léonard is ontstaan, ondanks de moeilijke tijden, dankzij de volharding van mijn ouders. Op 19 december 1955 zijn mijn ouders vlees en charcuterie beginnen verkopen op de markt. Vanaf dan begint het succesverhaal. In 1959 kopen mijn ouders een nieuw vastgoed dat volledig moest afgebroken en heropgebouwd worden.

Mijn ouders hebben twee kinderen. Mijn broer die zes jaar ouder is dan mij en ikzelf. Beiden liepen we school in het Vrij Instituut voor slagers en beenhouwers. Mijn broer, die niet erg geïnteresseerd was in het beroep, verliet de ouderlijke woning in 1976.

De pensioenleeftijd van mijn ouders kwam dichterbij en in 1982 laten zij de zaak over aan mij. Mijn grote avontuur start dus op 25 december 1982.

Nadat ik een jaar specialisatie restaurateur volgde na mijn opleiding in de vleesindustrie, begin ik als traiteur. Ik was echter niet tevreden met het geheel van opleiding en in september 1985 ga ik terug naar school in het Provinciaal Instituut voor Voedingsindustrieën en Toerisme te Brussel. Met een cursus van 3 jaar hoop ik ervaring en vaardigheden als kok op te doen. Bij het begin van het derde jaar overlijdt mijn vader op 66-jarige leeftijd. Ondanks deze tegenspoed slaag ik er toch in mijn derde jaar te met vrucht te beëindigen. Ik was er erg op vooruit gegaan op het gebied van koken en besluit om mijn slagerij te renoveren. Dit bleek een groot succes te zijn!

Vervolgens neem ik deel aan tal van nationale en internationale wedstrijden zoals Eurobeef in Brussel dat voorgezeten werd door de Unie van Belgische slagers en beenhouwers en de Frankfurt Messe, een prestigieuze wedstrijd voorgezeten door de Deutscher Fleischer Verband. Het is daar dat ik in de maand augustus 1992 een maximum van de punten krijg voor mijn Brabantse ham; een gezouten hesp die 10 maanden gedroogd werd. Een ware concurrentie voor de Parmaham, Tyrolerham of Zwarte Woudham. Het jaar daarna neem ik terug deel aan Eurobeef in Brussel. Ik behaal er de eerste prijs en de prijs van de verbruikersjury. Ik was dus zeer fier!

De massaproductie van ons product is echter zeer duur en vraagt een enorme investering. Ik besluit daarom verder te werken als traiteur terwijl de productie van de ham op een lager pitje wordt gezet en enkel nog dient voor eigen verkoop.

Ik doe al het mogelijke om de service van de keuken tot de tafel te garanderen, rekening houdend met de regels van de koude en de regels van de warme keuken en dit door steeds verse producten te gebruiken die bereid worden met respect voor de Belgisch-Franse gastronomie met bepaalde invloeden uit de wereldkeuken.


Bruno Leonard